De nederlandse titel van dit boek zou kunnen zijn:
Afgescheiden streven
naar eenheid.
Leven en werk van
Henricus Beuker 1834 - 1900.
Het boek bestaat uit 6 delen en 17 hoofdstukken.
Zurück
zur homepage von Pastor Dr. Beuker
Hoofdstuk 1,
Inleiding
Tussen Henricus Beuker en mij bestaat geen familierelatie, hoewel wij in dezelfde streek geboren zijn. Hij behoort tot de tweede generatie van afgescheidenen. Daarover is nog maar weinig geschreven. Beuker neemt een aparte positie in in Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten. Hij heeft zijn kerk in practisch alle destijds bestaande functies gediend: als predikant in bijna alle commissies en deputaatschappen, als curator en docent, in sociale stichtingen en politieke kiesverenigingen. Hij was verbreider van Kuypers maatschappelijke en politieke ideeën en bestrijder van Kuypers kerkelijke gedachten. Toch werkte hij met Kuyper en anderen samen op politiek terrein en op het gebied van christelijke scholen. Hij zocht naar vereniging met anderen.
Deel I
Deel I bespreekt Beukers jeugd en studie in Duitsland en in Nederland.
Hoofdstuk 2,
Jeugdjaren
Henricus Beuker werd op 4 juni 1834, het jaar van de Nederlandse afscheiding, in Volzel geboren. Dit plaatsje ligt vijf kilometer ten zuiden van Coevorden in het Graafschap Bentheim en was een gedeelte van het toenmalige koninkrijk Hannover. Zijn vader was van 1840 tot 1842 ouderling in de reformierte (hervormde) en van 1847 tot 1867 in de altreformierte (gereformeerde) kerk van Emlichheim. Al vanaf 1840 werd hij aangetroffen op verboden bijeenkomsten van de zogenoemde separatisten. Er was vooral na de eerste emigratiegolf naar de Verenigde Staten - van 1847 tot 1849 - een nauwe samenwerking tussen de afgescheiden kerken van Emlichheim en Coevorden.
Hoofdstuk 3, Student
Beuker bleef in de traditie van Jan Bavinck, die van 1849 tot 1853 jonge mannen te Uelsen voorbereidde op de theologische studie te Ruinerwold. Beuker genoot deze vooropleiding van 1856 tot 1858 in Wilsum bij Ds. J. Schoemaker en in Veldhausen bij Ds. G. Kramer. Met hem studeerden daar nog enkele andere studenten uit Duitsland en Nederland. Hij ging in 1858 naar de in 1854 opgerichte Theologische School in Kampen, terwijl tijdens zijn studie ook theologische studenten bij gereformeerde predikanten in Duitsland afstudeerden. Tot en met 1900 hadden vier uit Duitsland afkomstige studenten in Kampen hun studie voltooid. In hetzelfde tijdperk studeerden 24 studenten in het Graafschap Bentheim of in Oostfriesland af. Dit was de enige weg om in het Koninkrijk Hannover aan gereformeerde predikanten te komen en ze te houden. Deze opleiding veroorzaakte sinds 1860 enige spanningen tussen de Duitse en Nederlandse kerken. Predikanten uit het buitenland, waartoe ook het Graafschap Bentheim gerekend werd, moesten voor hun toelating in Nederland een examen afleggen. Halverwege Beukers studie in Kampen werd in 1860 de docent T.F. de Haan gepensioneerd, nadat ook Beukers jaargenoten tegen De Haans onderwijs hadden geprotesteerd. Van een protest van Beuker is niets bekend. Hij voelde zich zowel menselijk als theologisch door docent A. Brummelkamp aangetrokken, die hem in 1862 ook in zijn eerste gemeente in Zwolle bevestigde. Kort tevoren trouwde Beuker met Aaltje van Duyn uit Katwijk aan Zee. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren.
Deel II
Deel II gaat over de eerste periode, waarin Beuker van 1862 tot 1881 in Nederland in vijf verschillende gemeenten werkte. Bepaalde aspekten worden apart besproken, zoals zijn rol in de schoolbeweging, DE VRIJE KERK, Theologische School en Vrije Universiteit, Zending, Israel en Politiek.
Hoofdstuk 4 Eerste vijf gemeenten
Beuker werkte van 1862 tot 1873 achtereenvolgens als predikant in Zwolle, Rotterdam, Giessendam en Harlingen en vervolgens tot 1881 in Amsterdam. In Rotterdam kon hij -evenals zijn voorganger - niet aan alle verwachtingen voldoen; daarom moest hij om gezondheidsredenen het beroep van de kleinere gemeente Giessendam aannemen. Ook hier werd kritiek uitgeoefend op zijn stijl van preken. In deze gemeente trad hij met verschillende lezerbrieven in DE BAZUIN en in WEKSTEM in de openbaarheid. Hij pleitte voor erkenning van zijn kerk door de regering, al wilde hij geen financiële steun van haar aannemen.
Reeds in 1869 gaf hij als zijn mening te kennen, Kuyper en zijn aanhang „moesten zich met al de Afgescheidenen en uitgeworpenen om des beginsels wil, tot een lichaam vereenigen onder den naam, vorm en kerkordening als men dan zamen in het belang der Kerk en met Gods Woord en Gereformeerde Belijdenisschriften overeenkomstig zal oordeelen.“ [1] Dit zou het programma voor zijn verdere leven in Nederland blijken te zijn.
In zijn tijd in Harlingen van 1869 tot 1873 kwam hij meer in de publiciteit. Hij werd curator van de Theologische School in Kampen, lid van de (generale) synode, die hij tot 1892 zonder onderbreking zou bijwonen en maakte kennis met radicaal moderne predikanten van de hervormde gemeente Harlingen, die zich niet eens de doopformule wilden laten voorschrijven. In 1882 zou Beuker zijn kerk adviseren, elke doop te erkennen, indien de wettige doopformule was gebruikt.
Beuker aarzelde niet, in 1873 het beroep van Amsterdam aan te nemen. Eén van de drie gereformeerde predikanten in de hoofdstad des lands te mogen zijn, was zeker een vooruitgang voor hem. Ook in Amsterdam had Beuker - zoals op vorige plaatsen en ook daarna - problemen met zijn gezondheid. Desalniettemin vond hij tijd en gelegenheid van 1880 tot 1882 als bestuurslid van het in 1878 gestichte „Gereformeerde Tractaatgenootschap Filippus“ mee te werken.
Hoofdstuk 5, Beuker
in de schoolbeweging
In zijn eerste vier gemeenten werd Beuker metéén voorzitter van de schoolcommissie, die het toezicht op de christelijke school der gemeente uitoefende. In Zwolle gaf het ontslag van een leraar van de school kerkelijke moeilijkheden. Beuker stapte in 1868 in Giessendam uit de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs en werd lid van de in hetzelfde jaar opgerichte Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs.
Hij nam in Harlingen deel aan de examens van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs en had zodoende een vooraanstaande plaats in deze vereniging, hoewel hij, juist omdat hij als docent bij de opleiding betrokken was, geen deel uitmaakte van het bestuur. Beuker bepleitte duidelijk een kerkelijk christelijk gereformeerd toezicht op deze vereniging. Én de (generale) synode van zijn kerk én de meerderheid der leden van de vereniging weigerden dit. Wel ondersteunde zijn kerk hem in verschillende oproepen aan b.v. de Tweede Kamer om gelijkstelling van neutraal en kerkelijk onderwijs. Hij nam als afgevaardigde van de Amsterdamse christelijke gereformeerde kerkeraad deel aan de overhandiging van meer dan 300.000 handtekeningen aan de Koning op 2 augustus 1878 op het paleis in Apeldoorn. Uit dit volkspetitionnement, dat door de koning werd afgewezen, ontstond in 1879 de Unie voor „Een school met den bijbel“. Beuker vertegenwoordigde tot 1881, toen hij naar Emlichheim vertrok, met M. Noordtzij uit Kampen de Christelijke Gereformeerde Kerk in de leiding van deze unie. Hij zocht en vond de samenwerking met Kuyper en andere hervormden op het gebied van school en politiek. Kerkelijk was hij terughoudender in de samenwerking met anderen.
Hoofdstuk 6, DE VRIJE
KERK (1875 - 1898)
Beuker stichtte in 1875 een eigen maandblad DE VRIJE KERK, waarin hij onder de rubriek „Eén en ander“ de gang van zaken in kerk en maatschappij becommentarieerde. Dit tijdschrift is één van de grote levenswerken van Beuker. Hij biedt daarin een „vereeniging van stemmen uit de Christelijke Gereformeerde Kerk“. Ook in dit blad stond hij kritisch, maar met duidelijke sympathie tegenover Kuyper, zoals De Groot heeft vastgesteld.[2]
Tijdens Beukers verblijf in Pruisen namen Hermann Bavinck en Jan van Andel op zich, als eindredacteur van het blad op te treden. In de kring van medewerkers vinden we mensen, die met Beuker op een lijn zaten, b.v. Hel. de Cock, L. Lindeboom, S. van Velzen, D.K. Wielenga, W.H. Gispen, F.M. ten Hoor en vele anderen. Beuker verdedigde het recht van de Afscheiding en zocht anderen daarvoor te winnen.
Het blad was ook een orgaan buiten de eigen kerk. Vaak richtte Beuker zijn oproep tot Kuyper en de zijnen, zich af te scheiden van de Nederduitsche Hervormde Kerk. Daarnaast sneden Beuker en zijn medewerkers thema’s uit het gehele kerkelijke leven aan. Tussen 1886 en 1892 was het grote thema van het blad de verhouding tot de Doleantie en de mogelijkheid van vereniging tussen Dolerenden en Afgescheidenen.
Hoofdstuk 7,
Theologische School en Vrije Universiteit
In Amsterdam kreeg Beuker onder andere door de stichting van de Vrije Universiteit in 1880 met A. Kuyper te maken. Kuyper nam de leiding van de groep confessioneel gereformeerden in de Nederduitsche Hervormde Kerk op zich.
Beuker was al in Harlingen begonnen aan de daar bestaande opleiding van leraren mee te werken, in Amsterdam gaf hij extra onderwijs aan die jongelingen van de gemeente, die het stedelijk gymnasium bezochten. Voor hen gaf hij zijn „Bijbelsche Archeologie“ uit. Petrus Biesterveld, de latere hoogleraar in Kampen, behoorde tot zijn leerlingen. In 1877 trad Beuker op als voorzitter van de (generale) synode. In 1879 en 1881 was hij president curator in Kampen.
Beuker vocht voor het promotierecht in Kampen en voor de instelling van een gereformeerd gymnasium aldaar. Hij adviseerde de curatoren in Kampen, aan de opening van de Vrije Universiteit deel te nemen en ging, ondanks afwijzing van de uitnodiging door docenten en curatoren van Kampen, als één van de eregasten en één van de heel weinige christelijke gereformeerde predikanten.
De stichting van de Vrije Universiteit bekoelde deze sympathie wel aanmerkelijk. Kuyper vond het een jaar lang niet eens nodig op het aanbod van ondersteuning en op de kritische vragen van Beuker en zijn collega’s predikanten van de classis Amsterdam te antwoorden. En toen Kuyper antwoordde, verweet hij Beuker en diens collega’s, dat zij de Vrije Universiteit helemaal niet wilden ondersteunen. Beuker was ook erg ontevreden over de behandeling van zijn „zestal bezwaaren tegen den grondslag der Vrije Universiteit“, die hij eerst mondeling op een meeting in mei en in juni 1880 in Amsterdam aan Kuyper en zijn aanhangers voorlegde en later ook als brochure uitgaf. Beuker wilde een organisatorische verbinding tussen kerk en universiteit, Kuyper wilde een geestelijke verbinding. Beuker sprak zich duidelijk uit voor een kerkelijk toezicht en een kerkelijke opdracht, met name voor de theologische faculteit.
Hoofdstuk 8, Zending,
Israel en politiek
In Rotterdam stichtte Beuker een zendingsvereniging, waarvan hij voorzitter werd en een aangesloten jongelingsvereniging. Hij wilde op deze manier zending en evangelisatie bevorderen.
Beuker gaf leiding aan het werk van zijn kerk voor Israel en onderwijs aan een boekencolporteur onder de Joden, een zekere Koster, en voor een korte tijd aan een gewezen rabbijn Davidsohn die uit zijn hoede ontvoerd werd.
Ook trad Beuker in Giessendam naar voren door de oprichting van een kiesvereniging voor een kandidaat voor de Tweede Kamer. Van de christelijke gereformeerde kiezersbond „Marnix“ moest hij in latere jaren niets hebben. Hij ondersteunde de nieuwe antirevolutionaire politieke partij van A. Kuyper van harte.
Deel III
Deel III omvat een erg belangrijke, maar korte tijd van Beuker in zijn moederkerk als predikant van Emlichheim. Hij voorzag de Altreformierten van veel contacten naar andere kerken - alleen kon hij niemand bewegen tot een langdurige nauwe samenwerking.
Hoofdstuk 9,
Emlichheim 1881 tot 1884, oecumenische contacten
Beuker ging eind 1881 naar Emlichheim, de gemeente van zijn ouderlijk huis, omdat hij dacht, dat de grote kerkelijke en politieke veranderingen in dat gebied de uitbreiding van de kleine altreformierte kerk in het Graafschap Bentheim en Oostfriesland ten goede zouden komen. Deze gebieden waren in 1866 overgegaan naar Pruisen. In 1881 werd de Landkreis Grafschaft Bentheim ingesteld. In 1882 werd de „Evangelisch-Reformierte Kirche der Provinz Hannover“ geinstitueerd. Beuker beklemtoonde in zijn nieuwe veertiendaagse kerkelijke krant, de GRENSBODE, maar ook in openbare discussies en in de dagbladen, dat de kerk vrij moest zijn en zich vrij moest maken van elke inmenging van regeringswege. H. Bavinck vermaande hem in een privébrief, die onlangs in de Verenigde Staten door mij werd teruggevonden, dat een kerk niet alleen vanwege regeringstoezicht over haar een valse kerk mag genoemd worden.
Beuker zocht en vond aanvankelijk bij de Reformierte Bund van Wuppertal-Elberfeld en bij „Freie evangelische Gemeinden“ in dezelfde buurt steun voor de in 1880 te Veldhausen opgerichte Theologische School van de Altreformierten. Ook zelfs vanuit Silezië, de Verenigde Staten en Nederland kwam gedurende een langer tijdperk financiële hulp. De contacten in Duitsland knapten af op de ontbrekende overeenstemming in belijdenis en kerkorde. Via Johannes Jäger, die een tijdlang „Stadtmissionar“ voor de „Freie evangelische Gemeinden“ in Wuppertal-Elberfeld was geweest en in 1880 eerste en lange tijd enige docent voor voorbereidende en theologische vakken van de Altreformierte School werd, bleven deze contacten tot na de eeuwwisseling bestaan. Er gingen in die tijd zelfs twee altreformierte predikanten eerst naar de „Freie evangelische Gemeinden“ in Wuppertal-Elberfeld en later naar Silezië. Ook vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland gingen tenminste twee predikanten in deze tijd over naar de „Freie evangelische Gemeinden“ in de buurt van Wuppertal. Maar van een hechte kerkelijke verbinding en een uitbreiding van de altreformierte kerk, zoals Beuker voor de geest stond, kwam niets terecht.
Deel IV
Deel IV beslaat de tweede periode van Beuker in Nederland, en wel in Leiden van 1885 tot 1893. Hier gaat het vooral over de reakties op de Doleantie en het werk van Beuker op weg naar de kerkvereniging van 1892.
Hoofdstuk 10, Leiden
1885 tot 1893,
Op de laatste zondag van het jaar 1884 werd Beuker in Leiden, afdeling Hooigracht, bevestigd als predikant. Leiden werd steeds weer in de Christelijke Gereformeerde Kerk genoemd als plaats voor de opleiding. In Leiden werkte sinds 1872 Ds. J.H. Donner aan de opleiding van zendelingen. Leiden was een goede plaats voor de studie van de kinderen van Beuker. In Leiden trad Beukers dochter in het huwelijk met Ds. Jan Robbert en zijn zoon met Cato de Vries. Een zuster van Beukers vrouw woonde en werkte bij hen thuis.
In Leiden stichtte Beuker Effatha, een „vereeniging tot christelijk onderwijs en verzorging van doofstomme en blinde kinderen en jongelieden“. Tot zijn vertrek naar de Verenigde Staten in 1893 leidde hij deze vereniging. Er waren meer hervormde dan gereformeerde kinderen opgenomen.
Hoofdstuk 11,
Doleantie en vereniging
Leiderdorp - even buiten Leiden - was de eerste gemeente in de provincie Zuidholland en de vijfde in geheel Nederland, die in 1886 tot de Doleantie overging. In 1888 werd in Leiden zelf een dolerende gemeente gesticht. Vanuit Leiden werkte Beuker mee en gaf hij leiding aan het proces van vereniging van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerk. Het was hem een doorn in het oog, dat de dolerenden lange tijd ervan uitgingen, dat plaatselijk de gehele hervormde gemeente bij hen behoorde. De dolerenden hadden zich immers plaatsvervangend voor de gehele gemeente vrijgemaakt van het „ juk der goddeloze hierarchië“.
Beuker had drie problemen met de Dolerenden. Zij hadden duidelijk een ander kerkbegrip. Voor hen was de plaatselijke kerk volledig kerk. Zij droegen zelfs een plurale naam: „Nederduitsche Gereformeerde Kerken“. Beuker hield lange tijd vast aan het meerdere gezag van classes en synodes tegenover de kerkeraden. Hij wilde met het statuut van 1869 vasthouden aan een Christelijke Gereformeerde Kerk. Kuyper beklemtoonde meer het plaatselijke vlak, Beuker het synodale. Kuyper wilde onderhandelingen tussen de kerken ter plaatse, Beuker tussen de synodes.
Het tweede probleem was het reglement of statuut van 1869, waarmee toentertijd de nieuw gestichte Christelijke Gereformeerde Kerk door de regering was erkend. Beuker was vanaf het begin van de onderhandelingen bereid, dit statuut in te leveren.
Het derde probleem lag moeilijker. Het betrof het kerkelijk
toezicht op de theologische opleiding, dat in Kampen wel, maar aan de Vrije
Universiteit in Amsterdam niet bestond. Kuyper verzette zich met alle macht
tegen een kerkelijk toezicht, Beuker pleitte ervoor. Op dit punt kwam geen toenadering tot stand.
Wel was Beuker op een gegeven moment bereid, vooral ook na de vereniging van
1892, de theologische faculteit van de Vrije Universiteit en de Theologische
School van Kampen samen te voegen.
Op synodaal en classicaal vlak kwam de vereniging veel sneller tot stand dan op plaatselijk vlak. Beuker was de enige Christelijke Gereformeerde die van 1885 tot 1892 constant lid was van het moderamen van de (generale) synode. Er waren naast hem maar drie personen, die alle synodes van 1872 tot 1892 meemaakten, en wel de predikanten W.H. Gispen, J. Hessels en A. Littooij. Van 1885 tot 1892 waren J. van Andel en W.H. Gispen afwisselend voorzitter van de synode. Dit wisselen van de wacht had te maken met een voorschrift van de Dordtse Kerkorde en verzwakte de onderhandelingen van de Christelijke Gereformeerden met de Dolerenden, die in Kuyper een charismatische en alles beheersende leider gevonden hadden.
Kuypers toorn brak over Beuker los, toen deze het waagde, tegen een „concept-acte van vereniging“ bezwaar aan te tekenen terwijl vervolgens in augustus 1888 de gedachten van Beuker een ruime meerderheid op de christelijke gereformeerde (generale) synode behaalden. Beuker vroeg de Nederduitsche Gereformeerde Kerken te verklaren dat zij geheel met de Nederduitsche Hervormde Kerk gebroken hadden. Zij moesten de Christelijke Gereformeerde Kerk als een wettige kerk erkennen, mochten alleen leden aannemen, die met belijdenis en kerkorde instemden, mochten alleen met erkende gereformeerde kerken attestaties uitwisselen en last but not least, zij mochten geen kerk meer stichten op plaatsen, waar reeds een christelijke gereformeerde kerk bestond.
Uit het eind van 1889 en het begin van 1890 zijn enige brieven van Beuker aan Kuyper bewaard gebleven, waarin hij overeenstemming op deze punten zoekt door verandering van de concept-acte. Met A. Littooij hield Beuker op de voortgezette synode van januari 1889 er aan vast, dat - na een mogelijke vereniging van beide kerken - ter plaatse geen „tegenkerken“ meer gesticht zouden mogen worden. De synode volgde hen hierin. Zelfs een bezoek van A. Kuyper en W. v.d. Bergh op de synode in Kampen bracht daarin geen verandering.
Voor Beuker was de erkenning van de Afscheiding in het geding. Over het geschil, of de Afscheiding een separatie en de Doleantie een reformatie was, zoals Kuyper beweerde, werd men het niet eens. De door Kuyper ontworpen concept-acte werd terzijde gelegd en de vereniging van 1892 kwam tot stand alleen op grond van overeenstemming in belijdenis en kerkorde. De vraag naar bijbelse achtergronden of schriftopvatting kwam bijna niet ter sprake.
Beuker keerde zich tegen het speculatieve vernuft van Kuyper. Hij vond, dat de dolerenden in hun redeneringen soms te ver gingen. Hij noemde ze daarin niet ongereformeerd maar eerder overgereformeerd. In 1893 kwam van hervormde zijde het gerucht dat Beuker spijt zou hebben van de vereniging. Hij sprak zelf dit soort berichten duidelijk tegen en werkte er van harte aan mee, de verening van de beide kerken ook op de classis en in Leiden zelf te bevorderen.
Deel V
Deel V handelt over Beuker en zijn tijd in de Verenigde Staten van 1893 tot 1900.
Hoofdstuk 12, Emigratie en de tijd in Muskegon
Beuker emigreerde onder andere omdat zijn zoon een jaar van te voren naar de Verenigde Staten vertrokken was. Beuker had al sinds 1847, toen Gerrit Bouws en vele anderen uit het Graafschap Bentheim emigreerden, verlangen naar Amerika geuit. Zijn zwager, Ds. J.H. Vos, was in 1881 gegaan, zijn dochter en Ds. J. Robbert gingen in september 1893.
Muskegon aan het Michiganmeer werd Beukers eerste en enige gemeente in de Verenigde Staten. Reeds na een maand wilde het curatorium van de Theologische School van de Christian Reformed Church hem als docent in Grand Rapids benoemen. Hij bedankte, maar, toen hij een jaar later door de synode aldaar benoemd werd, nam hij de funktie aan. Beuker wilde het amerikaanse leven met de gereformeerde leer doordringen. Hij sprak en schreef alleen maar Nederlands, maar wilde toch geen „klein-Holland“ in Amerika.
Hoofdstuk 13, De
kwestie van de vrijmetselaars
Beuker was de man, die de verbindingen tussen de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Christian Reformed Church versterkte. Hij voltooide de omwenteling in de (Christelijke) Gereformeerde Kerken, die tot ongeveer 1885 bijna alleen maar contact gehad hadden met de Reformed Church. Kuyper pleitte voor sterkere verbindingen met de Reformed Church. Het punt, dat daar vrijmetselaars als leden geduld werden, gaf, met de duidelijke oppositie van Beuker daartegen, de doorslag voor de veranderde betrekking met Nederland. Ook kreeg de Christian Reformed Church door haar oppositie tegen de vrijmetselaars veel toeloop uit de Reformed Church. Dit vraagstuk speelt in Amerika ook vandaag nog.
Hoofdstuk 14,
Pogingen tot vereniging in de VS
Beuker kreeg, samen met anderen, van de synode van de Christian Reformed Church de opdracht, onderhandelingen te voeren met het „westelijk gedeelte“ van de Reformed Church over een mogelijke vereniging. Men had daarbij vooral de Nederlanders, die vanwege de vrijmetselaars in die kerk verontrust waren, op het oog. Een groots aangekondigde dag van samenspreking tussen de beide kerken in Holland, Michigan onder leiding van Beuker mislukte, doordat de vertegenwoordigers van de Reformed Church zich terugtrokken.
Ook een poging tot vereniging met de United Presbyterian Church liep op een mislukking uit. Deze wilde een algehele kerkelijke verbinding, Beuker een minder nauwe en een meer geestelijke.
Hoofdstuk 15, Docent in Grand Rapids
Het is erg moeilijk om van het onderwijs van Beuker in Grand Rapids en van zijn theologie in het algemeen een beeld te geven. Beuker wilde zich aan de belijdenis houden. Hij wekte soms het gevoel, dat hij meer naar de belijdenis dan naar de Schrift vroeg. Beuker was duidelijk infralapsarier. Het besluit Gods tot verkiezing of verwerping zag hij niet vóór, maar in de geschiedenis van de val. Tot een oplossing bracht Beuker dit probleem niet.
In zijn leer van het verbond onderscheidde hij het werkverbond van het genadeverbond, waartussen hij het verlossingsverbond of de raad des vredes poneerde. In zijn indeling van de dogmatiek, voorzover fragmenten daarvan bewaard zijn, sluit hij zich aan bij Calvijn en Van Oosterzee. Hij was erg ingenomen met de uitgave van de dogmatiek van Bavinck, waarvan hij de voltooiing niet meer beleefde. Kennelijk heeft hij ook gedeelten van zijn leermeester Hel. de Cock overgenomen en waarschijnlijk, hoewel dat niet meer te bewijzen valt, van zijn neef en voorganger in Grand Rapids , Geerhardus Vos.
Zwaanstra’s oordeel, die Beuker tot de „confessionele“ gereformeerden rekende, is juist. Beuker trachtte zijn confessie, waar en hoe dan ook, ingang te doen vinden binnen en buiten de eigen kerk. Ook mede dank zij deze drang voelde hij zich „door de wenken der voorzienigheid“ naar Amerika geroepen.
Hoofdstuk 16, De
laatste jaren van Beuker
In vele delen van Beukers werk in de Verenigde Staten is zijn Nederlandse achtergrond en geschiedenis aanwijsbaar. De pogingen tot vereniging met andere kerken hebben de Nederlandse gang van zaken tot voorbeeld. De oprichting van een eigen krant, DE GEREFORMEERDE AMERIKAAN en van een soort hospitaal voor longzieken in Maxwell gaan op dezelfde manier van start, als DE VRIJE KERK en de stichting Effatha in Nederland. Beuker was erg blij, dat hij in de zomer van 1899 nog een keer naar Nederland en Duitsland kon reizen. Hij haalde de band tussen de Gereformeerde Kerken in Nederland en zijn kerk in Amerika strak aan - maar wilde toch graag terug. Hij voelde zich thuis in Amerika, hoewel daar zijn afgescheiden streven naar eenheid zonder succes gebleven was.
Deel VI
Deel VI geeft een evaluatie, deze nederlandse samenvatting, enkele bijlagen, waaronder een tot nu toe ongepubliceerde brief van Hermann Bavinck gedateerd 1 juli 1884, de bronnen en de index voor dit boek.
Hoofdstuk 17,
Evaluatie
In dit hoofdstuk vinden we het resultaat van de onderzoeken in de verschillende landen waar Beuker werkte. In Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten zocht hij naar eenheid op het gebied van kerk, school en politiek. Hij stichtte in elk land een krant en in Nederland en de Verenigde Staten een soort ziekenhuis. Belijdenis en kerkorde waren zijn richtlijnen in het zoeken naar eenheid met anderen.